Historicidagen Utrecht, 24-26 augustus 2017

Voor wie niet in de gelegenheid was om naar de Historicidagen 2017 in Utrecht te gaan afgelopen week, volgt hier een verslag van het begin, enkele sessies en de afsluiting: drie dagen met 550 vakgenoten en met veel inspirerende debatten en discussies. De eerste dag, donderdag 24 augustus, was bestemd voor nieuwe KNHG-leden en bevatte een programma van activiteiten in de stad en een college van Ian Buruma over Europa als ideaal. De eigenlijke start van het congres vond op vrijdag plaats.

Door Renate van de Weijer.

Tijdreizigers

Susan Legêne (VU en voorzitter KNHG) heette iedereen welkom met de toepasselijke woorden ‘beste tijdreizigers’. Ze loofde de organisatie, met name in de personen Marijke Huisman en Manon van de Schootbrugge, een studente die de organisatie heeft gedaan naast haar masterscriptie. Het initiatief bleek afkomstig van KNHG bestuurslid Beatrice de Graaf. Ook verwelkomde ze Johanna Maria de Winter die het erevoorzitterschap heeft aanvaard en Renate Dür, voorzitter van de Deutsche Verein für Historiker. ‘Geschiedenis nu’ is het motto. Het streven is naar een open en eerlijk debat over historisch handelen als waarde in de samenleving. Ze onderstreepte de morele publieke functie. Geschiedenis biedt duiding.

Opening door Susan Legêne. Foto door Jonge Historici

Burgemeester Jan van Zanen memoreerde in zijn toespraak dat op deze plek, in de Aula van de universiteit in 1579 de Unie van Utrecht was getekend. De aula was toen de kapittelkerk van de kanunnikken van de dom. Utrecht heeft veel geschiedenis; dit vak is in deze stad een actief bedrijf. Het blijkt onder meer uit een nieuwe handzame geschiedenis van Utrecht van René de Kam en Renger de Bruin. Van Zanen verwees naar OVT en Andere Tijden, programma’s uit de jaren 1990: historisch besef wordt sinds die tijd via media uitgedragen. Zijn voorganger Annie Brouwer is nog geïnterviewd voor een documentaire over de treinkaping bij De Punt in 1977. Hij uitte enthousiasme over de Utrechtenaren Maarten van Rossem en Ad van Liempt. Meer persoonlijk herinnert hij zich dat hij zes jaar door klassieke geschiedenis werd ‘geterroriseerd’. ‘Maar op vakantie in Griekenland’ heeft hij nu ‘alsnog van die kennis genoten’. Hij sloot af met de woorden ’de samenleving verdient uw kennis, wetenschap en inspiratie’.

Vandaag gaat over de manieren waarop geschiedenis wordt doorgegeven.

Keimpe Algra, decaan Geesteswetenschappen van de UU had niets dan lof voor het verrichte werk door de organisatie. Maar toch vond hij dat wat meer oudheid in het programma had gemoeten en hij vertelde dat dit tijdvak zijn eigen historische sensatie vormde. ‘Dus!’, hij hield nu zijn eigen verhaal met de aansporing ‘Loop naar buiten en je ziet het Romeinse Rijk.’ ‘Vandaag gaat’, zei Algra, ‘over de manieren waarop geschiedenis wordt doorgegeven’. Aanbieden van een historisch perspectief, een tegenwicht tegen simplificaties. ‘Geen doorgedraaid relativisme en reductie ad absurdum, zoals aan de orde komt in een sessie (Disneyficatie)’. Het leven van historici gaat, vond hij, over rozen. In feite gaat het ook om het Bildungsideaal: geschiedenis verrijkt geest en fantasie. Je kunt je verhouden tot geesten in de oudheid. Het leven wordt daardoor niet langer, maar wel dieper aan ervaring. Heel inspirerend.

Kansen en valkuilen

Keynotespreekster Maria Grever (Centrum Historische Cultuur) hield een zeer enthousiast en dynamisch betoog en plaatste de thematiek meteen op scherp. Historisch besef blijkt uit allerlei discussies en zelfs uit conferences. Het bestaat onder meer uit de aspecten temporaliteit (anachronismen), realiteit (echt versus fictief) en historiciteit (besef van eigen historische bepaaldheid).

Oorlog heeft tot epische beeldvorming in literatuur geleid: Remarque en Tolstoi. Het zijn mythische voorstellingen. Ook de epi over familie Weiss en Killings Fields hebben aan historisch besef bijgedragen. Vaak distantiëren historici zich van populariseren. Er zijn ook veel risico’s want soms blijken er fouten in populair onderzoek te zitten en wie kun je dan nog vertrouwen? Populaire geschiedenis is geen nepgeschiedenis, maar wel neigen fouten de kloof tussen academische geschiedenis en populaire geschiedenis te vergroten.

Populaire geschiedenis kan aan de andere kant ook nieuwe kennis genereren. Het gaat hierbij onder meer om de impact van populaire oorlogsgeschiedenis in de 20ste eeuw. Oorlogen hebben immers een bewezen groot en natuurlijk publieksbereik. Daarnaast kunnen bezoekers bewust worden verleid met opwinding, door de nadruk te leggen op het avontuurlijke element in oorlog.

De populaire geschiedenis kent veel verschillende genres: historische vertellingen, optochten, rituelen, monumenten, historisch toerisme, (auto)biografieën, historische romans, stripverhalen, theater, tentoonstellingen, panorama’s, film / radio / tv. Na 1820 is de academische geschiedenis ontstaan met heldere kwaliteitseisen.

Het historisch bedrijf bestaat uit enkele facetten:

  1. Verhalen over beweging, ontwikkeling, dynamiek. Dit is historische representatie. Voorbeelden zijn standbeelden en ook de canon.
  2. Herinneringsinfrastructuren, dwz de formele en informele organisaties. Voorbeelden zijn instellingen zoals musea.
  3. Geschiedconcepties, namelijk de bewuste en onbewuste visies op verleden, heden en toekomst.

Maria Grever zet vraagtekens bij de rol van marketing in het verlangen om zoveel mogelijk bezoekers binnen te halen. Ze vindt bijvoorbeeld dat de folder van het Airbornemuseum teveel belooft. De tekst meldt dat bezoekers hier kunnen ervaren hoe het is om vluchteling te zijn. Maar in realiteit leefden mensen dagen in de puinhopen en bezoekers weten zich juist veilig en gaan na een uur naar huis. Gevoelens van plezier en van pijn vormen de basis voor waarheidsvinding; body knowledge.

Hester Dibbits  en Marlous Willemsen spreken in hun sessie over emotienetwerken en ‘politics of effect’. De film Soldaat van Oranje was onder meer bedoeld om gevoelens van nationale trots op te wekken. Uit onderzoek bleek dat slechts enkele toeschouwers zeiden dit daadwerkelijk te ervaren. Ongeveer 60% van de leerlingen vertelde dat ze meer opstaken van het zien van de film dan van geschiedenisles op school.

Pieter van den Heeden doet onderzoek naar videogames en oorlog. Games bevatten vooral een militair perspectief. Voor het perspectief van burgers is weinig aandacht. De nadruk ligt vooral op het spelelement dat voorbijgaat aan de betekenis. Spelers moeten allerlei vuurwapens kunnen gebruiken. Maar de vraag of dit eigenlijk wel wenselijk is wordt niet gesteld. Geweld tegen burgers zoals in echte oorlogssituaties wordt niet getoond. Er is ook geen aandacht voor de trauma’s die mensen na oorlogen achtervolgen. Iets ervan is bijvoorbeeld wel zichtbaar in de film Saving Private Ryan.

Een ander populair historisch genre, re-anactement, blijkt in Nederland vooral over Middeleeuwen te gaan. ‘Re-anacters worden’, aldus Grever, ‘vaak gezien als grote humorloze mannen.’ Toch is het interessant want zij beleven het spel als een totaalervaring en ook komt hier het dagelijks leven aan bod. Het verleden 1:1 proberen te laten herleven maakt vragen aan de geschiedenis mogelijk. Het leidt tot reflecties over historiciteit maar ook over keuzes die toen werden gemaakt. Zouden wij dit nu ook weer zo doen? ‘Bodyknowledge is in feite te begrijpen als kenbaar maken en uitdragen.’

Jong meisje bij Middeleeuws festival in Ter Apel, 2016. Foto E. Tijhoff,
Jong meisje bij Middeleeuws festival in Ter Apel, 2016. Foto A.E. Tijhoff,

Er bestaat een grote actieve betrokkenheid van veel mensen met belangstelling. Tegelijkertijd is er een kloof met historici, de academici waar het gaat om de reconstructie van het exacte verloop van de geschiedenis. Wel bestaat er steeds meer professionele productie van populaire geschiedenis. Populaire geschiedenis vormt niet zelden een aansporing om nieuwe bronnen aan te boren.

Wat zijn de valkuilen?

  1. Populaire geschiedvoorstellingen vertonen vaak mythische trekken, hebben behoefte aan helden en dat is niet conform realisme.
  2. Ideologische instrumentalisering als emotionele ervaring kan worden omgezet in een cognitieve. In dat laatste geval ben je kritisch en op juiste manier aan de slag, anders niet.
  3. Historici moeten meer van zich laten horen en deelnemen aan de productie van populaire historische genre’s.

Uit Grevers kritiek op de musical blijkt dat er ten aanzien van historische content binnen dit genre kwaliteitscriteria te formuleren zijn. Niet alleen de populaire geschiedschrijving maakt fouten, beroepshistorici kunnen deze ook maken. Wat niet goed is, moet gedebunked worden, zoals onlangs gebeurd is met een boek over de oorlog dat zogenaamd was gebaseerd op memoires, het boek Oorlogsouders van Isabel van Boetzelaer.

Disneyficatie

Nauw bij Grevers voordracht sloot de sessie aan over disneyficatie van geschiedenis in musea. Bodyknowledge is in feite te begrijpen als kenbaar maken en uitdragen introduceerde het thema door het aanbod aan activiteit van donderdag, de eerste Historicidag, samen te vatten. Nieuwkomers bij KNHG hadden kunnen kiezen uit een gevarieerd aanbod met een grote diversiteit in vorm. Het ging ook over educatie, entertainement en grote doelen. Is dit te beschouwen als Disneyficatie? Mike Wallace heeft dit begrip geïntroduceerd en op een negatieve manier gebruikt doordat hij hiermee vooral bedoelde dat Disney alleen een veilige wereld wilde laten zien. Het zorgt voor een ahistorische blik op de wereld.

De banden tussen commercie en historie zijn sterker geworden. Is het zo erg? Soms doen historici mee aan maskerades, maar op een gegeven moment nemen ze afstand en/of gaan andere historici kritiek uitoefenen. Het spanningsveld met hun eigenlijke  vak wordt dan te groot. Uitgerekend Johan Huizinga die boeken schreef over historische sensatie en die zijn eigen onderzoek zo beeldend neerzet, hield in 1929 een klaagzang over biografieën. Wordt geschiedenis inwisselbaar, een consumptieartikel, een driftcultuur met een teveel aan impulsen? Waarom verdiepen we ons zo weinig in bestudering van het verleden? Representaties moeten langs hun eigen meetlat worden gelegd. Klaartje Schweizer (NOM) vertelde over cultureel ondernemerschap en de kracht van Disney, Gijs van Ham (Rijksmuseum) over vorm en inhoud van het medium museum, Wies Rosenboom (LKCA) over cultuurparticipatie en Kathelijne Eisses (Tinker) over de manier waarop een vormgevingsbureau omgaat met historiciteit.

Klaartje Schweizer vertelde in ‘Het beste van twee werelden’ (namelijk geschiedenis en ondernemerschap) dat de voormalige Rijksmusea sinds 1991 geld moesten verdienen. Culturele waarden zijn niet statisch. Bezoekerscijfers en –waardering worden belangrijk gevonden. De rol van musea blijkt echter ook uit aandacht voor disciminerende aspecten van objecten. Disney was in de vormgeving van de canon geen letterlijk voorbeeld maar waarschijnlijk is Disney op meer plekken in ons bewustzijn verankerd. Het Nationaal Openlucht Museum (NOM) is een 3d omgeving. Dat betekent dat veel mensen dingen herkennen. En dat betekent weer dat objecten niet lijken op museumobjecten. Veel mensen raken spullen aan en soms gaat het verder. Belangrijk hierbij is hoe mensen op de werkvloer op dit gedrag reageren. Een goede de-escalerende reactie kan veel verdere problemen voorkomen.

Naarmate het NOM meer een nationaal museum wil zijn – in plaats van een museum van het dagelijks leven – en naarmate meer gevoelige content gepresenteerd wordt, groeit de kwetsbaarheid van het museum voor reacties van het publiek.  Schweizer gaf aan dat Disney niet alleen negatief hoeft te zijn. Het staat ook voor kwaliteit en creativiteit. De Canon van Nederland leidt feitelijk tot meer museaal onderzoek, tot gelaagde presentaties en tot meer mogelijkheden om je in geschiedenis te verdiepen.

Gijs van Ham vertelde dat in het Rijksmuseum het object centraal staat, niet de digitale beeldvorming. Het Rijksmuseum gaat over hoe kunst in de wereld vroeger opereerde en hoe dat nu is. Het gaat over burgers in de Nederlandse samenleving. Objecten bevatten verhalen en doel is om deze door te geven aan het publiek. Vormgeving is hierbij dienend aan het verhaal. Omdat objecten diverse soorten van verhalen bevatten, moet er voor een presentatie gekozen worden uit deze betekenislagen en verhalen. Een museum is een medium, is een vorm van communicatie. Echter, het Rijksmuseum zal nooit een projectie tonen van schilderijen. Van Ham hanteert enkele duidelijke kwaliteitseisen voor een goed museaal verhaal, voor een tentoonstelling: voldoet de vorm aan de boodschap? Is de inhoud goed? Is er een consequente manier van uitvoeren? Is het relevant voor de samenleving?

Wies Rosenboom ­vertelde over de grote hoeveelheid aan onderzoek naar het effect van kunst op mensen met een mentale handicap en/of met verminderende mentale vermogens. Ze illustreerde haar verhaal met mooie beelden van mensen bij wie een effect van het zien van kunst duidelijk zichtbaar was. Een verband met Disney en met de sessie leek hier te ontbreken. Wellicht was het de bedoeling geweest om ook aan de orde te stellen in hoeverre films van Disney gelijksoortige effecten teweeg kunnen brengen.

Scheiding van Kerk en Staat

Een interessante discussie ontspon zich in de sessie ‘Religie, van alle tijden?’ over de mate waarin het publiekde symboliek in gravures van Romeyn de Hooghe herkent. Jo Spaans (UU) maakte duidelijk dat voor het lezen van de gravure het bijbehorende boek nodig is. Hoe vat je dat samen voor publiek? In het algemeen blijkt het Catharijneconvent – zelfs bij de Maria-tentoonstelling als publiekstrekker – een publiek te ontvangen van voornamelijk oudere vrouwen. Tanja Kootte (Catharijneconvent) bracht op dit punt naar voren dat ze Luther over wie een belangrijke tentoonstelling in 2018 zal gaan, graag willen actualiseren. Zou hij in 2018 zijn stellingen hebben getwitterd in plaats van aan de kerkdeuren te nagelen?

De synode in Dordrecht 1618-1619
De synode in Dordrecht 1618-1619

Fred van Lieburg en Marianne Eekhout belichtten elk hun invalshoek bij een tentoonstelling voor het Dordrechts Museum. Eekhout vertelde hoe moeilijk het was om een gemeentelijke overheid warm te maken voor een religieus onderwerp – de geschiedenis van 400 jaar Synode van Dordrecht – waar a-religiositeit bijna tot de geschiedenis en identiteit van de stad is gaan horen. Bovendien was het materiaal waarmee ze moesten werken spaarzaam aanwezig en weinig tot de verbeelding sprekend. Een oplossing is gevonden door de focus te leggen op ‘Ode aan de Synode’, een overkoepelend thema waaronder enkele projecten zullen plaatsvinden.

Fred van Lieburg is als historicus bij hetzelfde project betrokken en heeft aangedrongen om niet alleen naar de Synode te kijken maar ook naar de middeleeuwen daarvoor. Immers, in Dordrecht zijn de middeleeuwen nog steeds herkenbaar in de monumenten in de stad. ‘En’, zei Van Lieburg enigszins chargerend, ‘er hebben ruim 300 jaar lang Augustijnen staan zingen in de zaal waar op een blauwe maandag een Synode is gehouden.’ De geroemde Nederlandse religieuze tolerantie – die zijn basis zou vinden in de Synode van Dordrecht – blijkt intussen door zijn onderzoek een mythe want feitelijk werden de Remonstranten die in scheepjes kwamen aanvaren door omstanders op de kade met eieren bekogeld. Religie heeft veel politieke elementen en is en was niet altijd vreedzaam. Als onderwerp is religie van groot belang omdat Nieuwkomers in Nederland erg moeten wennen aan het idee dat Kerk en Staat hier gescheiden zijn, dat dit al sinds de 18de eeuw het geval is en dat dit in Nederland zo belangrijk wordt geacht.

Kennis, herkening en verder onderzoek

Spanningsvelden kwamen ook aan bod in de sessie ‘Met de kennis van gisteren: het belang van een historisch perspectief op hedendaagse vraagstukken’ op zaterdagochtend 26 augustus. Hier ging het met name om de taak en houding van de historicus. De dominee uithangen is niet de juiste houding van de historicus, volgens Leo Lucassen. Het is meer de invalshoek: ‘hallo, ik spreek met historische kennis’. Voor hemzelf geldt dat vooral het thema migratie en vluchtelingen. Ruud Koole en Jaap Cohen stelden  ‘vergelijken is belangrijk maar op basis van welke gronden?’ Hester Dibbits twijfelt of vertellen ‘hoe het zit’ ons daadwerkelijk verder helpt. ‘Is niet ook emotie en positie van belang?’ Lucassen vindt dat je niet te snel tevreden moet zijn met de vergelijking en verder moet gaan met onderzoek want zaken kunnen op detailniveau anders zijn. Willemijn van der Zwaard vindt het belangrijk om naar het doel van de vergelijking te vragen.

Historici zijn makers

Hester Dibbits stelde dat historici ook waarde hebben doordat ze creatief zijn. Ze zijn vaak ‘makers’. Dat biedt mogelijkheden. Wel constateert ze dat historici in het publieke debat meer verbale skils nodig hebben. Immers, wat maakt Robert Dijkgraaf interessant en Louise Fresco? Leo Lucassen wil aan de andere kant geen mensen als Maarten als voorbeeld stellen. Praten over zaken waarover je geen of weinig kennis hebt, maakt kwetsbaar. in hoeverre moeten historici alleen reactief zijn of ook proactief?

Vanuit de zaal mengden zich aanwezigen in de discussie van deze goed bezochte sessie. Johanna Maria van Winter: ‘Je kunt in het verleden gaan staan en dan vooruitkijken. Dat geeft historisch nieuwe inzichten en legt mechanismen bloot.’ Andere reacties gingen onder meer over het belang van emotie en gedrevenheid om het historisch perspectief meer in het maatschappelijk debat te krijgen. Daartoe blijkt ook een instrument te bestaan, namelijk de nationale wetenschapsagenda. Lucassen voegt toe: ‘maak jezelf zichtbaar’. Soms wordt hem gevraagd of het wel zo verstandig is om naar ‘Pauw’ te gaan. ‘Nou, zei hij, ‘als er nou ergens kennis nodig is…’. En in het wetenschappelijk circuit tellen niet alleen de strikt wetenschappelijke artikelen maar ook stukken in bijvoorbeeld kranten (valorisatie). Ruud Koole concludeerde tenslotte ‘Laten we als historici onze zegeningen tellen. Geschiedenis doet het goed, ook in media en historici doen het goed in het publieke debat. Je moet wel oppassen dat je niet afgaat bij vakgenoten. ‘

Maskeradezaal tijdens de Historicidagen. Foto door Renate van de Weijer.

Geschiedenis is een vak

De sessie over interactie tussen geschiedbeoefenaren en hun publiek stelde de vraag naar het vager worden van grenzen tussen beroep en veld aan de orde. Paul Knevel deed de aftrap en vroeg zich af wat er zou gebeuren als je de teugels zou loslaten. Er is – en was – consensus over de rol van de publiekshistoricus, namelijk een historicus die zich ten dienste stelt buiten de universiteiten. Je kunt je daarbij afvragen of een vakopgeleide historicus beter is dan een amateur of gedreven liefhebber. Hij werkte deze vragen uit door in te gaan op de casus Sophiatown, een cultureel centrum in een wit appartementencomplex in Zuid-Afrika waar twee verhalen centraal stonden namelijk nostalgie en onrecht.

In het algemeen hebben niet-professionals drie mogelijke houdingen ten opzichte van geschiedenis:

  1. Geschiedenis is een last of ballast; doet denken aan verleden.
  2. Is saai; doet denken aan school.
  3. Is een persoonlijke ervaring. Dit laatste gevoel maakt betrokkenheid en contact mogelijk.

In het geval van Sophiatown heeft de samenwerking van professionals en liefhebbers tot een succesvol project geleid. Op kritische vragen van de professional over het ontstaan van het appartementencomplex en van het cultureel centrum zelf kwamen ronduit afwijzende reacties. Die vragen zouden niet bij de eigen geschiedenis en bij de beleving horen. Op dit zowel ethische als meer vakmatige punt vindt Paul Knevel dat de historicus moet doorgaan om zijn vak uit te dragen; zowel omwille van de ethiek, integriteit, als om objectiviteit en waarborging van het historisch vak.

Arnoud-Jan Bijsterveld vertelde over zijn ervaringen met een team van amateurhistorici die samen onderzoek deden naar de geschiedenis van 150 Joden in Tilburg. Het bleek hem dat proces en organisatie erg van belang waren. Ook bleek dat men niet zonder de expertise van de historicus kon bij het checken van de feiten en het inperken van speculatie. Het heeft geleid tot verhalen op Tilburgwiki, struikelstenen in de publieke ruimte en tot herdenkingsactiviteiten. Bij zichzelf constateerde Bijsterveld de behoefte om emotie toe te laten naast de voor de historicus meer natuurlijke zakelijke benadering en analyse. Bij de liefhebbers bleek het noodzakelijk om aan te dringen op het toelaten van kennis en maken van keuzes.

Dolly Verhoeven vertelde over de plannen voor meer samenwerking in de provincie Gelderland gebaseerd op co-producties tussen Radboud Universiteit en Erfgoed Gelderland. Het wordt tijd voor een nieuwe geschiedschrijving over Gelderland (waar andere provincies deze al hebben). De doelstellingen liggen zowel op het gebied van kennisvermeerdering bij de wetenschappelijke instellingen als om het vermeerderen van publieksfuncties bij de instellingen in het veld.

Uit deze sessie bleek dat beroepshistorici van belang zijn en blijven voor zowel het historisch métier zelf, de echte analytische feitenkennis, de bredere blik, de meer zakelijke objectieve houding, de organisatie van samenwerking met het wetenschappelijk circuit.

Geschiedenis verbindt in de reflectie

De sessie ‘Is er toekomst voor de Europese Unie? Balanceren tussen nationalisme en supranationalisme’ was in veel opzichten heel bijzonder en vionair. Hier spraken onder meer Dirk Jan Schoon, bisschop van Haarlem van de Oud-Katholieke Kerk van Nederland en Joost Flamand, directeur Integratie Europa. De sprekers hebben zeer uiteenlopende rollen, maar vonden elkaar op een bijzondere manier in tegenstellingen en overeenkomsten.

Schoon vertelde dat hij op vakantie Latijnse teksten had bestudeerd over een vicaris die in de 18de eeuw naar Rome werd beroepen en daar vervolgens werd veroordeeld. ‘En dat was het begin van de Oud-Katholieke Kerk.’ Hij vindt integratie geen doel op zichzelf; immers integreren in wat? Is dit een belangrijk criterium? Wat zegt integreren over mensen? Als bisschop is hij bezig met de eenheid, de organisatie, van zijn kerkelijk gebied. Daarnaast heeft hij contacten met collega’s in andere gebieden, voor zover deze praktisch zijn.

Een Bijbels Theologische visie op eenheid is te vinden in het Anglicaanse lied van Samuel Storms waarin het woord eenheid precies zeven keer voorkomt. Het vormt een verwijzing naar Genesis. Het Scheppingsverhaal moet je lezen, zegt Schoon, als een programma waarbij de zevende dag nog moet komen, als de eenheid van het scheppingsverhaal daar is. We zijn nog op weg. We zijn tijdreizigers. Gelovigen zijn bezig met de vormgeving van het christelijk geloof en met concreet samenleven. Omdat we niet perfect zijn, komen we wekelijks bij elkaar.

Werken aan eenheid is in eerste instantie werken aan overeenstemming in geloof. Doel van internationale samenwerking van protestantse kerken is niet de samenwerking zelf maar nog steeds het samen vieren van eucharistie. Elke kerk heeft hierin zijn inbreng. Vandaar zegt Schoon dat veel discussies zoals de rol van vrouwen in de kerk eeuwig duren, namelijk totdat alle kerken het ermee eens zijn. Of totdat de kerk een keer zegt, we doen het gewoon.

Het visioen van eenheid op kerkelijk gebied gaat werkelijkheid worden. Bij de EU is dat anders vindt Schoon omdat bij de nadruk op het economische de oude Europese waarden onder druk komen van het monopoliekapitalisme. Er zijn geen oorlogen meer geweest in Europa, maar de westerse ambities worden in andere continenten omgezet in schaarste en oorlog. Werk is overigens nooit een doel op zichzelf, maar gericht op vrij zijn, op ‘hoi, nu ben ik vrij, op vakantie.’

Het Wilhemlus. Zie ook https://historiek.net/

Schoon laakt in de politiek het pragmatisme: ‘het moet ook gaan om ideeën en idealen. Op dit punt gaf Flamand hem gelijk: ‘mensen trekken zich terug uit politiek. De oorzaak ligt in het gebrek aan bezieling in dit domein. Wij verwachten dat iedereen over alles kan meepraten en dat noemen we dan democratie. Dat kan niet. Voor echte vakkundige deelname aan politiek hebben we een parlement. Een luisteraar vroeg of het niet tijd werd voor een blueprint voor klimaatveranderingen. Immers, er is geen enkele oorlog of het vluchtelingenprobleem, dat níet is ingegeven door klimaatproblemen. Flamand reageerde met verduidelijken wat er op klimaatgebied wel is gerealiseerd aan internationale afspraken. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat met het oplossen van klimaatproblemen bijvoorbeeld ook de interne dynamiek aan machtsverhoudingen zou zijn opgelost. Dat staat los ervan. Het probleem is ingewikkelder.

Tineke Palm stelde de vraag of er andere waarden mogelijk zijn – naast klimaat – waarover de EU zich zou moeten buigen. Schoon stelde voor om hierbij antwoorden op een half A4 te formuleren vanuit de vraag ‘Waartoe leeft de mens?’. Verrassend genoeg bleek de EU hiertoe weer wél een antwoord te hebben. Flamand verwees naar de basisartikelen van de EU. Deze kan men beschouwen als het morele kompas van de EU. Alleen het bijhorende instrument tot realisatie ontbreekt.

Erfgoeddynamiek, groepsgevoel en international perspectief

Een dynamische sessie bleek de sessie over emotienetwerken en erfgoeddynamiek. Hester Dibbits en Marlous Schrover confronteerden de deelnemers met denken over erfgoed, en vooral ook met gevoelens en ervaringen in een workshop. Casus vormde het Wilhelmus, het volkslied als erfgoed. Dit leidde in elk werkgroepje tot interessante discussies en tot scherpe bewustwording van gevoelens of je jezelf al dan niet voelt horen tot een groep, tot een natie. Interessante vondst bleek dat het visueel in kaart brengen van deze emoties kan bijdragen tot een nieuw soort objectbeschrijving of context, in dit geval van het Wilhelmus als immateriële cultuuruiting.

Middag werd afgesloten door een goed panel met Sylvana Simons, Wim Blockmans, Karwan Fatah-Black en Frank van Vree, dat reageerde op prikkelende vragen van Beatrice de Graaf. Ook hierbij kwam het internationale aspect nadrukkelijk aan de orde. Blockmans constateerde dat onze nationale geschiedschrijving nog steeds veel zwarte gaten en vertekening vertoont doordat onderzoekers – bij alle aandacht voor het nationale – het internationale perspectief bijna systematisch verwaarlozen.  Maarten Prak sloot de middag vervolgens af door brandende kwesties van enkele sessies samen te vatten en door in kaart te brengen hoezeer het programma van deze twee dagen verschilt met een programma van een congres van vakgenoten van dertig jaar geleden. Het gaat om totaal andere vragen. Beatrice de Graaf sloot  het congres op buitengewoon charmante wijze af, wees iedereen op het belang van een congres in Münster in 2018 en nodigde de deelnemers uit voor de Historicidagen in 2019 in Groningen.

 

 

 

 

Leave a Reply

Required fields are marked*